Veertig jaar lang heb ik mensen gesproken die al of niet op eigen initiatief inzicht wilden krijgen in hun gedrag. Van directeuren en managers tot medewerkers die doorgaans de kurk van een organisatie zijn. Mensen die zich verantwoordelijk voelden voor het werk dat ze verrichten en daar ook vaak succesvol in waren. Ik heb met velen van de vijfentwintigduizend mensen die voorbijgekomen zijn hun persoonlijkheidsprofiel besproken en een analyse gedaan waarom ze zich gedragen zoals ze zich gedragen. Voor velen was dat vaak een eyeopener.
Door al die jaren heen, zag ik steeds hetzelfde patroon terugkomen, bij de een duidelijker dan bij de ander. We houden vast aan gedrag dat ooit werkte, ook als het ons allang niet meer helpt.
Laat me duidelijk maken wat ik bedoel. Mensen zijn volgens mij vanaf het allereerste begin op zoek naar een toestand waarin we niet hoeven te overleven maar waarin we kunnen leven. Ik heb voor die toestand, omdat dat nog niet bestond, een woord bedacht: comfortabiliteit.
Zodra onze comfortabiliteit wordt aangetast, worden we gedwongen te overleven. Comfortabiliteit is niet hetzelfde als succes, want succes is zichtbaar en meetbaar, en comfortabiliteit zit vanbinnen. Niet hetzelfde als rust, want rust is de afwezigheid van prikkels, en comfortabiliteit is de aanwezigheid van vervulling. Het is de toestand waarin je belangrijkste behoeften bevredigd zijn en je niet meer hoeft te compenseren voor wat ontbreekt. Ieder mens streeft ernaar, en geen omgeving levert haar volledig, niet uit onwil, maar omdat geen omgeving dat kan.
Ik denk aan een man die ooit schuin naast mij zat, een geslaagd bestuurder. Uit zijn onderzoek bleek dat hij van jongs af aan geleerd had dat hij op niemand kon rekenen. Behalve op zichzelf. Hij was daar ver mee gekomen. Hij hield de controle, altijd en over alles. Het had hem gemaakt tot wie hij geworden was, een succesvolle bestuurder. Op het moment dat ik met hem sprak was er sprake van een situatie waarin mensen, veelal de meest succesvolle, die aan hem rapporteerden, vertrokken. Intern onderzoek had uitgewezen dat zijn behoefte aan controle benauwend werkte en dat mensen zich niet gehoord en gewaardeerd voelden. Het bijzondere was dat gedrag dat hem ooit beschermd had en hem zijn comfortabiliteit gegeven had, zich nu tegen hem ging keren. Het lastige was dat hijzelf dacht dat hij zo was en niet dat het gedrag was dat hij zou kunnen veranderen.
Dat is precies het mechanisme waar het over gaat. Gedrag dat ons ooit bescherming bood, wordt een gewoonte. Die gewoonte wordt doordat we hem steeds gaan herhalen uiteindelijk een vanzelfsprekendheid en op een dag voelt het niet langer als iets wat we doen, maar als wie we zijn. ‘Zo doe ik dat’ wordt zonder dat we er erg in hebben ‘zo ben ik’. Daar zit de valkuil. Zolang iets voelt als een eigenschap in plaats van als een keuze, komt het niet in ons op om het ook maar anders te gaan doen.
In mijn praktijk heb ik veel van dit soort gesprekken gevoerd en in mijn boek trek ik die lijn door, door de Uil en de Ezel met elkaar in gesprek te laten gaan. De Ezel draagt de last, hij zwoegt en gaat maar door. Hij draagt die last al zolang dat hij er zelf geen erg meer in heeft. De Uil draagt niets, die kijkt en stelt die ene vraag die de Ezel zich nooit stelt, net zoals de bestuurder van zojuist die vraag nooit aan zichzelf gesteld heeft. Een vraag die tot nadenken aanzet, niet als verwijt, maar als uitnodiging.
Kijken naar jezelf is de moeilijkste eerste stap. Bij verandering denken we vaak aan iets groots. Maar in de praktijk is het vaak iets veel kleiners. Ik ben ervan overtuigd dat het begint bij het herkennen van iets dat zo vanzelfsprekend voor iemand is geworden dat hij het niet meer ziet. Ga even terug naar de bestuurder die ontdekte dat zijn behoefte aan controle die ooit zijn redding was geweest nu een gewoonte was geworden waarvan hij zich niet meer bewust was. Laat staan van de consequenties ervan op anderen. Of neem een ander voorbeeld, de perfectionist die merkt dat de hoge eisen die hij zichzelf en anderen oplegt hem en ook anderen nu uitputten. Herkennen is de eerste stap, maar die verandert op zich nog niets. Maar zonder dat moment is de kans dat er ooit iets zal veranderen uitgesloten.
Waarom is dat zo moeilijk? Zodra er in ons leven een ernstige en vaak langdurige verstoring optreedt en onze comfortabiliteit in het gedrang komt, gaan we compenseren. Die compensatie dempt de ernst van de verstoring, maar levert geen comfortabiliteit. Wanneer het werkt, wordt het uiteindelijk een gewoonte waarvan we diep in ons hart weten dat het negatieve consequenties heeft wanneer we dat loslaten. Met andere woorden, op die manier is er geen enkele reden om er ook maar iets aan te gaan doen, zelfs wanneer we merken dat er iets mis is. Het compensatiegedrag houdt zichzelf in stand, ook als de verstoring die het veroorzaakte allang voorbij is. Niet omdat we de oude verstoring nog steeds voelen, maar omdat we inmiddels geen idee hebben wie we zonder dat gedrag zouden zijn.
Toch heb ik in mijn praktijk vaak gezien dat mensen die dit mechanisme bij zichzelf gaan herkennen ook iets te winnen hebben. Niet door een ander mens te worden, want los van het feit dat dat niet mogelijk is, hoeft het ook niet. Wel door onderscheid te leren maken tussen wie ze werkelijk zijn en wat ze zichzelf hebben aangeleerd. Tussen de feitelijke mens en de aangeleerde gewoonte. Ik bedoel daarmee dat iemand naast herkenning ook erkenning krijgt voor zijn eigen gedrag. En erkenning maakt het mogelijk om te kiezen.
Wat ik nadrukkelijk wil aangeven, is dat dit geen stappenplan is. Ik geloof daar niet in. Ik heb er gedurende mijn lange carrière niet één gezien die werkte. Wat ik wel gezien heb, is de waarde van een spiegel. Als je bereid bent daarin te durven kijken, kun je kiezen. Heer Olivier B. Bommel riep, wanneer hij er zelf niet meer uitkwam, steevast tegen zijn vriend: ‘Tom Poes, verzin een list.’ Misschien moeten wij vaker naar de Uil luisteren die ons die ene vraag stelt die wij onszelf niet durven te stellen. Een vraag die de mogelijkheid opent om opnieuw te kiezen wie je wilt zijn en niet te blijven hangen in wie we geworden zijn.
De vraag die onder dit alles ligt, is misschien wel de enige die telt. Ben je wie je wilt zijn, of wie je bent geworden? Waarschijnlijk is dat ook voor jou geen comfortabele vraag. Maar juist het ongemak ervan is, vaker dan je zou durven hopen, het begin van iets nieuws.
Over de auteur: Hans Blom begeleidde veertig jaar lang leidinggevenden als onafhankelijk adviseur en nam in al die jaren vele duizenden persoonlijkheidsonderzoeken af. Hij schreef het boek Het ligt altijd aan jezelf. Waarom we gevangen raken in wie we zijn geworden.
Tekst van Hans Blom · Artikel
‘Ben je wie je wilt zijn, of wie je bent geworden?’
Dat is een van de vragen waar mijn boek Het ligt altijd aan jezelf over gaat.